Auteur(s): Leonie Meijerink Organisatie(s): TU Delft, Sectie EduTec

Bij een on line-cursus zijn er verschillende mogelijkheden om rekening te houden met niveauverschillen tussen studenten.

Voorbeeld uit de praktijk

Geen praktijkvoorbeeld beschikbaar. Bijdragen zijn welkom.

Doel

De bedoeling is handvatten docenten die in hun onderwijs tegemoet willen komen aan de niveau-verschillen tussen studenten te geven.

Wanneer te gebruiken

  • Als je een on line vak flexibel wilt aanbieden, zodat rekening wordt gehouden met niveauverschillen tussen studenten.
  • Als uit voorkennistoetsen, uit voorgaande evaluaties of uit beoordelingsresultaten blijkt dat er grote verschillen zijn in het niveau van studenten.

Aandachtspunten bij de voorbereiding

  1. Neem een (on line) voorkennistoets/ kennisquiz af onder de studenten om de niveau-verschillen te kunnen duiden (zie ook: IDEE voorkennistoets).
  2. Vergaar informatie over de achtergrond van studenten die van invloed kan zijn, bv. cijfers van voorgaande toetsen of vorige opleiding, vooropleiding van student, voorkennis van studenten, ervaringen uit vorige lessen/vakken.
  3. Vervolgens kunt u op verschillende manieren rekening houden met de niveauverschillen:
    • extra begeleiding voor individuele studenten waarbij u een laag niveau heeft vastgesteld (zie 2)
    • mogelijkheden bieden om rekening te houden met verschillende niveaus van alle studenten door ze vanuit het eigen beginniveau te laten werken (zie 3, 4,5)
  4. Stel vast voor welke studenten je specifieke on line begeleiding nodig vindt.Van deze studenten kan je bijvoorbeeld vragen of zij regelmatig tussenproducten on line zetten, zodat je hierop kunt reageren. Voor speciaal moeilijke gevallen kan je overwegen om regelmatig on line te monitoren en feedback te geven in het discussieforum. Zorg er daarbij voor dat alleen jezelf en de student toegang hebben tot de on line discussie.
  5. Formuleer doelstellingen op de onderscheiden niveaus (zie 1).
    Per beginniveau ontwikkel je passende opdrachten. Houd er rekening mee dat het niveau hoog genoeg is voor studenten om er goed over na te moeten denken, maar niet zo hoog is dat studenten gedemotiveerd raken. Je kunt wat betreft niveaus onderscheid aanbrengen in:

    • Moeilijkheidsgraad (gebaseerd op cijfers, beoordelingen). Vanzelfsprekend moeten studenten wel minimaal de eindtermen behalen.
    • Type kennis of vaardigheden die studenten hebben opgedaan (Is de student meer theoretisch of praktisch onderlegd, welke kennisgebieden zijn al bekend bij de student?)
  6. Ontwikkel organisatievormen in de leeromgeving:
    • ‘Heterogene’ groepen samenstellen door het bewust mixen van verschillende niveaus per groep. Dit doet u bv. bij projecten of groepsopdrachten waarin u studenten van elkaar wilt laten leren.
    • ‘Homogene’ groepen samenstellen van studenten met hetzelfde niveau. Dit doet u wanneer u de verschillende niveaus op hun eigen tempo en aan eigen doelstellingen wilt laten werken. Pas hierbij wel op dat u studenten niet een stereotype oplegt.
  7. Maak voor elke groep studenten een leeromgeving aan. Je kunt kiezen voor:
    • Maak in het discussieforum threads (categorieën) aan voor de verschillende groepen en plaats de juiste informatie/opdrachten passend bij het beginniveau van de groep. Het is niet redelijk om van studenten met een hoger niveau te verwachten dat zij meer werk verrichten zonder dat daar wat tegenover staat. Studenten die op een hoger niveau de opdrachten maken kunnen bijvoorbeeld de activiteiten die zij extra verrichten gebruiken voor andere vakken, stages of afstudeeronderzoek. Feit blijft wel dat alle studenten een bepaald eindniveau moeten halen.
    • Geef duidelijk in de leeromgeving aan welke opdrachten er zijn en welke studenten aan welke opdrachten werken.
  8. Formuleer passende opdrachten:
    • Van eenvoudig naar complex: Bedenk in welke context het onderwerp in de realiteit zou kunnen plaatsvinden. Het probleem zonder extra moeilijkheden kunt u voorleggen aan de studenten die moeite hebben met het onderwerp. Voor studenten die wat meer in hun mars hebben kunt u de context ingewikkelder maken door extra problemen in te ruimen.
    • Van concreet naar abstract: Voor studenten die moeite hebben met het onderwerp kunt u bijvoorbeeld hele concrete voorbeelden geven of verwijzen naar concrete voorbeelden van anderen. Aan studenten met meer niveau hoeft u minder weg te geven. Zij kunnen dergelijke informatie zelf vinden of vanuit een abstracter niveau zelf bedenken wat concreet bedoeld wordt.
    • Van gedetailleerd naar globaal: Hoe gedetailleerder u de opdracht formuleert, met allerlei mogelijke hints en verwijzingen, des te makkelijker is de opdracht voor studenten. Als u aanwijzingen weglaat is de uitdaging voor studenten van hoger niveau groter.
      Als u de opdrachten on line zet kunt u een ‘basisopdracht’ voor alle groepen formuleren en vervolgens de specificeringen van de opdrachten voor de verschillende niveaus toevoegen.

Tip

Maak een discussieforum aan per groep waarin de studenten in de groep onderling kunnen discussieren en/of laat groepen met elkaar discussieren.

Aandachtspunten bij de uitvoering

  • Geef studenten de ruimte om specifieke richtingen in te slaan door extra opdrachten, links en documenten aan te bieden die dieper op de stof ingaan.
  • Bouw mogelijkheden in voor studenten die tegen problemen aanlopen door uitgebreidere toelichtingen in documenten in de DLO te plaatsen en door als docent heldere informatie te geven over hoe studenten je kunnen bereiken (bij voorkeur via het discussieforum).

Zie ook

Hoe maak je een voorkennistoets in een Digitale Leer Omgeving?

Hoe maak je on line, interactief leermateriaal voor zelfstudie?

Geplaatst op 23-04-2003 door adminComments Off on Rekening houden met niveauverschillen tussen studenten

 
Auteur(s): Annemiek Wieland Organisatie(s): Risbo

Dit IDEE beschrijft hoe je studenten op een effectieve manier gebruik kan laten maken van informatie die op internet te vinden is.

Voorbeeld uit de praktijk

Op http://intpol21.tripod.com/ is een webquest te vinden. Deze vormt een introductie op de ontwikkeling van verschillende partijen die een rol spelen bij internationale relaties. Het doel van deze webquest is een aantal fundamentele concepten te verduidelijken, te onderzoeken hoe het overheidssysteem geëvolueerd is sinds de zeventiende eeuw en een aantal uitdagingen waar de overheid nu voor staat onder de aandacht te brengen. De webquest wordt gegeven aan de Universiteit van Sao Paulo (Brazilië). In de webquest moeten studenten de door de docent geselecteerde bronnen raadplegen om daarmee individueel een aantal concepten te verklaren en een essay te schrijven en vervolgens in groepjes een gezamenlijke conclusie te schrijven. Tot slot moeten de groepjes elkaars paper beoordelen.Op middelbare school Het Baken is een webquest voor 4 HAVO en hoger gebruikt, waarin leerlingen in groepjes van vier een energiezuinig huis moesten ontwerpen. Elke leerling nam hierbij de rol van koper, architect, bouwkundige of projectleider aan. Om de leerlingen te helpen heeft de leraar allerlei relevante internetbronnen geselecteerd die hij per rol geordend heeft (zie de plaatjes hieronder).


Doel

Dit IDEE geeft aan hoe je studenten op een effectieve manier gebruik laten maken van informatie die op internet te vinden is.

Wanneer te gebruiken

  • Wanneer studenten een opdracht moeten uitvoeren (bijvoorbeeld scriptie/paper schrijven, ontwerp maken, mening beargumenteren), waarbij zij op een gestructureerde manier verschillende bronnen moeten raadplegen die vooral op internet te vinden zijn.
  • Wanneer bij deze opdrachten niet het zoeken naar informatie, maar het verwerken ervan centraal staat.
  • Wanneer je studenten hun tijd zo efficiënt mogelijk wilt laten besteden.

Aandachtspunten bij de voorbereiding


Maak een webquest

Dit kan op verschillende manieren: Via een programma, bijvoorbeeld een webeditor, Word of PowerPoint. Het meest voor de hand liggend is een webeditor (bijvoorbeeld Frontpage), omdat hiermee op eenvoudige wijze internetpagina’s mee gemaakt kunnen worden. De webquest moet uit vijf onderliggende pagina’s / secties bestaan: (1) Inleiding; (2) Opdracht; (3) Werkwijze; (4) Bronnen; (5) Beoordeling.


Tips
  • In de bijlage is een sjabloon voor een webquest toegevoegd waaraan je enkel nog de inhoud moet toevoegen. Er is tevens een handleiding opgenomen waarin stap voor stap staat beschreven hoe je het sjabloon kunt openen en bewerken. Je kunt ook het sjabloon uit de bijlage gebruiken.
  • Andere sjablonen van webquests zijn te vinden op http://www.webkwestie.nl/webkwestie maken.htm (Nederlands) en op http://webquest.sdsu.edu/LessonTemplate.html (Engels)
  • In een digitale leeromgeving kan een webquest op verschillende manieren gemaakt worden:

Via een Learning Unit (Blackboard):

  • Maak een Learning Unit aan die de naam heeft van de opdracht. Geef een korte beschrijving van wat studenten in de Learning Unit kunnen vinden en kies voor een niet-sequentiële presentatie van de Learning Unit.
  • Maak in de Learning Unit vijf items aan met de volgende namen en volgorde: (1) Inleiding; (2) Opdracht; (3) Werkwijze; (4) Bronnen; (5) Beoordeling en voeg bij elk item de bijbehorende tekst toe (zie stappen 2 t/m 6).

Via folders (alle DLO’s):

  • Maak een folder aan met de naam van de opdracht en geef een korte beschrijving van wat studenten in deze folder kunnen vinden.
  • Maak in die folder vijf andere folders aan met de volgende namen en volgorde: (1) Inleiding; (2) Opdracht; (3) Werkwijze; (4) Bronnen; (5) Beoordeling en geef een korte beschrijving van wat studenten in elke folder kunnen vinden.
  • Plaats in elke folder de bijbehorende tekst (zie stappen 2 t/m 5).


1. Wek in de Inleiding de interesse van de student en leg het doel van de opdracht uit.

De interesse van studenten kan worden gewekt door de opdracht aan te laten sluiten op de voorkennis van studenten, de webquest visueel aantrekkelijk te laten maken, de opdracht te relateren aan andere aspecten van het vak.


2. Geef onder Opdracht een korte beschrijving van wat studenten moeten doen.

Je kunt studenten bijvoorbeeld informatie laten verzamelen die ze vervolgens moeten gebruiken voor:

  • het oplossen van een bepaald probleem;
  • het schrijven van een paper;
  • het maken van een bepaald ontwerp;
  • het beargumenteren van een bepaald standpunt in een rollenspel of een on line discussie;
  • het analyseren van gegevens;
  • het beoordelen en toetsen van informatie en hypothesen.

Geef ook aan of studenten de opdracht individueel of in groepjes moeten uitvoeren en (indien in groepjes) hoe de groepjes samengesteld worden.


3.
Beschrijf onder Werkwijze hoe studenten de opdracht moeten uitvoeren.

Werk daarvoor de algemene beschrijving onder Opdracht uit in concrete deelopdrachten en verbind hier indien nodig concrete deadlines aan. Je kunt hier ook aanwijzingen geven over hoe de studenten de verzamelde informatie moeten verwerken/archiveren. Tevens kun je studenten hier instrumenten aanreiken die behulpzaam zijn bij de verdere opdracht. Geef tot slot aan waar, wanneer en hoe de opdracht ingeleverd moet worden.


4. Selecteer minimaal vijf interbronnen die zeer relevante informatie bevatten.

Behalve internetbronnen kunnen hier ook niet-digitale bronnen worden genoemd. Het selecteren van goede interessante bronnen kan studenten motiveren en bespaart hen veel tijd, zodat ze zich volledig op de verwerking van de gevonden informatie kunnen richten. Orden de hyperlinks en overige bronnen onder Bronnen.


Tips
  • Geef bij elke bron een korte beschrijving van wat studenten op die site kunnen vinden.
  • Zorg er voor dat er een nieuw window wordt geopend wanneer op de hyperlink geklikt wordt, zodat studenten niet de opdracht ?kwijtraken?.
  • Selecteer een aantal tegenstrijdige bronnen. Op die manier kun je achterhalen hoe studenten de bronnen interpreteren.

5. Beschrijf onder Beoordeling de criteria waaraan de opdrachtuitwerking moet voldoen.

Geef ook aan of de opdrachtuitwerking (indien studenten de opdracht gezamenlijk mogen uitwerken) individueel of als groep beoordeeld wordt en door de docenten en/of door medestudenten beoordeeld wordt (peer review).

Aandachtspunten bij de uitvoering

  • Plaats de webquest on line, bijvoorbeeld in de digitale leeromgeving.
  • Informeer studenten over waar zij de webquest kunnen vinden en welke deadlines er aan de (deel)opdrachten verbonden zijn.
  • Laat studenten hun resultaten op de een of andere manier rapporteren, bijvoorbeeld via het ‘discussion board’, ‘digital dropbox’ en elkaars resultaten eventueel ook beoordelen (zie ook: Hoe laat je studenten feedback aan elkaar geven via een discussieplatform?).

Achtergrondinformatie

Ontleend aan

http://www.webkwestie.nl/

Zie ook

Hoe leer je studenten verwijzen naar en citeren van elektronische informatiebronnen?

Aan welke structuur-technologische criteria moet mijn on line vak/cursus voldoen? (II)

Bijlagen

Geplaatst op 22-04-2003 door adminComments Off on Effectief gebruiken van internetbronnen via webquests

 
Auteur(s): Ad Scheepers, Olga Rijk Organisatie(s): Faculteit der Bedrijfskunde, Erasmus Universiteit Rotterdam

Dit IDEE beschrijft hoe je op opleidings-/faculteitsniveau ouderejaars studenten (7e jaars en ouder) kunt stimuleren hun studie op korte termijn af te ronden.

Voorbeeld uit de praktijk

De Faculteit der Bedrijfskunde (Erasmus Universiteit Rotterdam) probeert middels een ouderejaarsproject ouderejaars studenten (7e jaars en ouder) te stimuleren op korte termijn hun studie af te ronden. Voor deze studenten is een cursusomgeving in Blackboard ingericht, waar ze relevante informatie kunnen vinden over bijvoorbeeld ontwikkelingen in de studie, extra mogelijkheden voor ouderejaarsstudenten, instrumenten die behulpzaam zijn bij het schrijven van een scriptie enzovoort. In een databank worden alle gegevens van de ouderejaarsstudenten bijgehouden, zoals studieonderdelen die nog moeten worden afgerond en welke overgangsregelingen voor hen van toepassing zijn. Elk jaar worden in september nieuwe 7e jaars studenten in deze databank opgenomen en wordt van alle ouderejaars studenten (zo’n 400 in totaal) gekeken wie zich opnieuw en wie zich niet meer heeft ingeschreven aan de universiteit. Indien studenten zich niet meer hebben ingeschreven worden zij persoonlijk gemaild met de vraag waarom ze dat niet hebben gedaan. Daarnaast worden de studenten persoonlijk gemaild wanneer er een wijziging in het curriculum heeft plaatsgevonden die voor hen relevant is en worden ze uitgenodigd voor scriptiebijeenkomsten of persoonlijke begeleiding bij het schrijven van hun scriptie.De cursusomgeving in

Blackboard wordt veel bezocht, zo blijkt uit de statistieken die Blackboard laat zien. En studenten reageren zeer positief op het ouderejaarsproject. Veel studenten lieten weten dat ze voordat dit project van start ging persoonlijke drempels voelden om contact op te nemen met een studieadviseur (‘Ze zien me aankomen!’, ‘Ze kennen mij waarschijnlijk niet eens meer!’, ‘Ze zitten toch helemaal niet op mij te wachten?’) en dat ze de enigen waren die al zoveelste jaars student en nog steeds niet klaar was. Door de persoonlijke e-mails raken ze weer betrokken bij de faculteit en grijpen ze de kans aan een afspraak met de studiebegeleider te maken om alles eens even op een rijtje te zetten. Het up-to-date houden van de Blackboardomgeving, het databestand, de een-op-een gesprekken, e-mails e.d. kost echter veel tijd (bij Bedrijfskunde zo’n 8 tot 16 manuren per week). De faculteit vindt het echter wel alle moeite waard: dat zoveel mogelijk ouderejaars studenten afstuderen is namelijk zowel in het voordeel van de studenten als van de faculteit.








Doel

Medewerkers op opleidings- of faculteitsniveau (bijvoorbeeld studieadviseurs) laten zien hoe zij ICT kunnen gebruiken om ouderejaars studenten te stimuleren hun studie op korte termijn af te ronden.

Wanneer te gebruiken

  • Wanneer elk jaar een groep ouderejaars studenten (7e-jaars en ouder) de afronding van hun studie maar blijft uitstellen.
  • Wanneer een faculteit het percentage afgestudeerden wil verhogen.

Aandachtspunten bij de voorbereiding

NB: het stimuleren van ouderejaars studenten tot het afronden van hun studie vergt meer dan alleen het gebruik van ict (zie ook “Voorbeeld uit de praktijk”). Hieronder zal alleen ingegaan worden op het ict-aspect.

  1. Open een digitale cursusomgeving of maak een internetsite.
  2. Plaats een aankondiging waarin je studenten welkom heet en het doel van de cursusomgeving/site duidelijk maakt.
  3. Zorg er voor dat de cursusomgeving/site open staat voor iedereen. Iedere studenten moet, als hij dat wil bij de informatie kunnen.
  4. Selecteer informatie die voor ouderejaarsstudenten relevant is. Voorbeelden:
    • Een overzicht met de minors en majors die gevolgd kunnen worden en informatie omtrent de inschrijvingsprocedure.
    • De studiegids.
    • Contactgegevens van studieadviseurs, bureau onderwijszaken en opleidingscoordinator.
    • Een overzicht van antwoorden op vaak gestelde vragen, zoals bijvoorbeeld:
      – Vervallen mijn cijfers na een aantal jaren?
      – Kan ik onvoldoendes laten staan en zo ja, hoeveel?
      – Tot wanneer kan ik in de oude variant afstuderen?
    • Informatie over het schrijven van een scriptie.
    • Overgangsregelingen oude studievarianten naar nieuwe (bijvoorbeeld BaMa).
    • Overzicht van vakken oude stijl en nieuwe stijl.
    • Overzicht van contactgegevens Major coordinatoren.
    • Hyperlink naar het tentameninschrijfsysteem.
    • Tentamenroosters.
    • Hyperlink naar loopbaancentra.
    • Een overzicht van afstudeerstages.
    • Hyperlink naar de catalogus van de universiteitsbibliotheek.
    • Informatie van de examencommissie.
    • Een overzicht van mogelijke afstudeerdata.
  5. Geef studenten de mogelijkheid om op het discussieplatform berichten te plaatsen, zoals bijvoorbeeld vragen aan medestudenten, oproepen voor een ‘studiemaatje’, studietips, enz.

Tip
  • Maak een survey waarin je studenten vraagt wat ze van de cursusomgeving vinden en welke informatie ze eventueel missen.

Aandachtspunten bij de uitvoering

  • Houd de cursusomgeving/site actueel.
  • Laat studenten via een aankondiging weten wanneer er wijzigingen in het studieprogramma zijn, nieuwe reglementen zijn ingevoerd, enz.

Tips
  • Plaats leuke, stimulerende berichtjes zoals:
    Wist je dat…
    … er aan het begin van dit collegejaar 438 OJA (=ouderejaars) studenten waren.
    … er sinds eind september 2001 al 188 studenten zijn afgestudeerd.
    … er op dit moment nog 250 OJA studenten over zijn.
    … dit betekent dat 43 % van de OJA studenten is afgestudeerd.
    … dit percentage natuurlijk nog veel meer omhoog kan, maar dat is aan jullie.
    … We houden jullie op de hoogte van de vorderingen van het OJA project en veel succes met het afronden van de studie!
  • Houd in een databank de gegevens bij van de ouderejaarsstudenten, bijvoorbeeld welke vakken ze nog moeten afronden, welke overgangsregelingen op hen van toepassing zijn, enz.
  • Laat een student-assistent eventuele administratieve taken uitvoeren, bijvoorbeeld het plaatsen van informatie in de digitale leeromgeving en het up-to-date houden van het databestand.
  • Zorg er voor dat er iemand aanwezig is (bijvoorbeeld een studie-adviseur) die eventuele vragen van ouderejaarsstudenten kan beantwoorden en hen persoonlijk kan begeleiden bij het afronden van hun studie.

Randvoorwaarden

Er moet een digitale leeromgeving/internetsite voorhanden zijn.

Zie ook

Geplaatst op 17-03-2003 door adminComments Off on Ouderejaars stimuleren hun studie af te ronden

 
Auteur(s): Maarten van de Ven Organisatie(s): Risbo

Dit IDEE geeft de docent een structuur voor de organisatie en de begeleiding van teams van studenten die in multidisciplinaire projectgroepen gezamenlijk een authentiek product maken voor echte opdrachtgevers.

Voorbeeld uit de praktijk

Dit IDEE is ontleend aan het vak Multimedia aan de TU Delft. De doelstellingen van dit vak zijn dat studenten leren op verantwoorde wijze multimedia te ontwerpen en te realiseren, als interdisciplinair team een project organiseren en tot een goed einde brengen, en te communiceren met collega’s, opdrachtgever, gebruikers en deskundigen op geheel verschillende vakgebieden. Dit keuzevak wordt al sinds 1998 gegeven. Uit evaluatiegegevens blijkt dat de studenten het vak heel stimulerend vinden. De studenten beschouwen het product wat ze maken echt als iets van henzelf en zijn daar trots op.

Doel

Dit IDEE geeft de docent een structuur voor de organisatie en de begeleiding van groepen studenten die in multidisciplinaire projectgroepen gezamenlijk een authentiek product maken.

Wanneer te gebruiken

In situaties waarin studenten kunnen leren om concrete producten, bijvoorbeeld softwareproducten, te realiseren door samen te werken. Het werken in een projectteam aan een authentieke opdracht voor een echte opdrachtgever is voor de studenten doorgaans een sterke stimulans.

Aandachtspunten bij de voorbereiding

  • Verdeel het project in fasen, bijvoorbeeld Analyse, Ontwerp en Realisatie. Stel per fase vast welke producten moeten worden opgeleverd, bijvoorbeeld analyserapport, ontwerp (inclusief script) en eindproduct.
  • Bedenk vooraf een goede werkwijze voor de projectgroepen. Werk met verschillende rollen, die per fase kunnen worden verwisseld. Mogelijke rollen zijn organisator (die de grote lijn in de gaten houdt), redacteur (verantwoordelijk voor de inhoud en kwaliteit van het product) en secretaris (die de bijeenkomsten regelt en hiervan verslagen maakt).
  • Bedenk vooraf een goede begeleidingsvorm. Drie belangrijke onderdelen daarvan zijn goede afspraken tussen begeleider en team over communicatie tussen begeleider en groep, de kwaliteitsplannen die het team zelf vooraf opstelt en opdrachten van de begeleider aan een team. Deze opdrachten maken onderdeel uit van de ontwikkeling van het product.
  • Zorg vooraf voor echte opdrachten. Zoek een aantal opdrachtgevers met een praktische probleemstelling, die tijd willen steken in het optreden als opdrachtgever en verstand van zaken hebben. Zo mogelijk hebben die opdrachtgevers zelf al materiaal beschikbaar.
  • Stel van tevoren vast op welke wijze de studenten beoordeeld gaan worden. In deze manier van beoordelen wordt per fase niet alleen rekening gehouden met de kwaliteit van het product van die fase (analyserapport, ontwerp of eindproduct), maar ook met het proces waarop dat product tot stand is gekomen. Het eindcijfer is een gewogen gemiddelde van de tussenresultaten (bijvoorbeeld in de verhouding over de drie fasen van 20% – 30% – 50%).
  • Neem in de doelstellingen van het vak expliciet doelstellingen op die liggen op het gebied van projectmatig werken in teamverband, zodat de studenten daarop ook kunnen worden beoordeeld. Een voorbeeld hiervan zijn de doelstellingen bij het vak Multimedia.
  • Organiseer de input van externe experts en van de docenten zelf. Dat kan bijvoorbeeld door thematische colleges en gastcolleges.
  • Deel de studenten in groepen in en probeer in iedere groep studenten van verschillende studierichtingen te krijgen. Bij multidisciplinaire projecten zijn de resultaten van de groep doorgaans het best wanneer de projectleden worden ingezet op hun eigen discipline. (Bijvoorbeeld Informaticastudenten op het programmeren en studenten Onderwijskunde op het inhoudelijk ontwerp.)
  • Organiseer kennisuitwisseling tussen groepen. Dat kan bijvoorbeeld via een elektronische discussie in de digitale leeromgeving. Studenten plaatsen hun IDEEën op de discussielijst. Andere studenten kunnen die kennis gebruiken en er eventueel commentaar op geven, gericht op de bruikbaarheid van dat IDEE.

Tips

  • Om efficiënt met begeleidingstijd om te gaan kan het handig zijn om in één begeleidingsmoment meerdere groepen tegelijk te begeleiden. Groepen kunnen leren van de opmerkingen die je maakt over de andere groepen, terwijl bovendien de groepen elkaar onderling terugkoppeling kunnen geven. Deze momenten kunnen worden afgewisseld met het begeleiden van individuele projectgroepen voor projectspecifieke zaken.
  • Laat de studenten aan het begin van het traject digitale foto’s van elkaar maken en in de digitale leeromgeving plaatsen. Dat bevordert het kennismakingsproces en levert direct een resultaat op.

Aandachtspunten bij de uitvoering

  • Richt de digitale leeromgeving in met informatie over het vak, bijvoorbeeld een beschrijving van de structuur van een project, de werkwijze binnen een project (fasen, kwaliteitsplannen, taakverdeling), de manier waarop de begeleiding plaatsvindt en het rooster van eventuele (gast)colleges en begeleidingsmomenten.
  • Maak aan de studenten duidelijk dat beoordeling van zowel product als proces plaatsvindt.
    1. Geef duidelijk aan hoe het product wordt beoordeeld en geef gedetailleerd aan welke beoordelingscriteria hierbij worden gehanteerd.
    2. De procesbeoordeling kan plaatsvinden op basis van kwaliteitsplannen en op basis van begeleidingsgesprekken. Geef aan welke onderwerpen in het kwaliteitsplan moeten worden beschreven. Laat de projectgroepen aan het begin van iedere fase een kwaliteitsplan voor die fase maken, inclusief onderlinge taakverdeling en kwaliteitseisen voor het product dat ze in die fase moeten opleveren. Grijp tijdens de begeleidingsgesprekken op die kwaliteitsplannen terug en laat de studenten aan het eind van de fase op basis van het betreffende plan reflecteren op hun eigen proces en product.
  • Verdeel de studenten vooraf over de groepen. Houdt hierbij rekening met een multidisciplinaire samenstelling van de groepen (zet bijvoorbeeld studenten Informatica, Onderwijskunde en Industrieel Ontwerpen tezamen in één groep). Laat de studenten zich individueel of per tweetal op basis van de opdrachtomschrijving inschrijven voor een bepaalde groep (uitgaande van een groepsgrootte van circa 6 studenten).
  • Maak binnen de DLO voor iedere groep een groepsruimte aan. Geef de teamleden toegang tot hun groepsruimte.
  • Besteedt in het eerste college uitgebreid aandacht aan de structuur en de organisatie van een project (fasen, producten, begeleiding). Geef aan welke producten worden verwacht en hoe die zullen worden beoordeeld.
  • Zorg er aan het begin van iedere fase voor dat de studenten in het kwaliteitsplan van die fase een goede onderlinge taakverdeling tussen de teamleden maken.

Tip

Laat bij problemen in de groep de studenten eerst zelf een oplossing zoeken.

Randvoorwaarden

  • Er moet een elektronisch discussieplatform voorhanden zijn.
  • Er moet een virtuele groepsruimte zijn, waarin studenten binnen een groep informatie kunnen uitwisselen, met elkaar kunnen discussiëren en gezamenlijke planningen bijhouden.
  • De studenten moeten kunnen beschikken over computers, internetverbindingen en de benodigde (ontwikkel)software, bijvoorbeeld in de vorm van een practicumruimte met multimedia computers.
  • Zorg voor een helpdesk (vraagbaak), eventueel bemenst met student-assistenten.

Achtergrondinformatie

De digitale leeromgeving van het vak Multimedia is te vinden op het Internet:

http://blackboard.tudelft.nl/webapps/portal/frameset.jsp

  • Klik op het tabblad Courses
  • Vul bij Course Search (linksboven op het scherm) de vakcode in: in4036TU
  • Klik op Go
  • Klik op Preview
  • Bekijk de informatie onder Course Information
  • In de bijlage van dit IDEE staat een afbeelding van het hoofdmenu van een product dat in het jaar 2000/2001 is gemaakt door een team in opdracht van een basisschool.

Zie ook

Hoe kun je een multidisciplinair studentenbedrijf ondersteunen met een digitale leeromgeving?

Welke factoren zijn van invloed op de kwaliteit van samenwerkingsopdrachten in een digitale leeromgeving?

Wat zijn de mogelijkheden van ICT in projectonderwijs?

Bijlage

Opdracht basisschool

Geplaatst op 11-10-2002 door adminComments Off on Samenwerken aan authentieke producten in multidisciplinaire projectgroepen

 
Auteur(s): Annemiek Wieland Organisatie(s): Risbo, Erasmus Universiteit Rotterdam

Dit IDEE reikt de docent ideeën en tips aan voor het opzetten en vormgeven van online discussies voor vakken met weinig studenten.

Voorbeeld uit de praktijk

Aan het vak De Stad (faculteit der Historische en Kunstwetenschappen, Erasmus Universiteit Rotterdam) nemen ca. 30 studenten deel. Tijdens het vak worden zij onder meer gevraagd elektronisch te discussieren over onderwerpen als ‘Urban socialism’, ‘Immigratie en integratie’, en ‘Verstedelijking van Nederland’. De discussies lopen goed: veel studenten geven niet alleen hun mening over het onderwerp, maar reageren ook op elkaars mening. Op die manier denken ze actief na over de leerstof en leren ze tevens hun mening te verwoorden en te beargumenteren.

Doel

De docent ideeën en tips aanreiken voor het opzetten en vormgeven van een online discussieopdracht.

Wanneer te gebruiken

  • Wanneer je de mate van interactiviteit binnen je vak wilt verhogen.
  • Wanneer je studenten wilt stimuleren tot het actief verwerken van de leerstof.
  • Wanneer je studenten vaardigheden wilt laten verwerven op het gebied van meningsvorming en argumentatie.

Aandachtspunten bij de voorbereiding

1. Bepaal het doel van de discussie

De discussie kan bijv. tot doel hebben studenten vaardigheden te laten verwerven op het gebied van meningsvorming en argumentatie. Een ander doel kan zijn dat studenten inzicht en begrip opdoen door de interpretatie die medestudenten van een bepaald onderwerp hebben te reflecteren op de eigen interpretatie.

2. Formuleer een stelling

Een goede stelling:

  • sluit aan bij de interesse van studenten en/ of bij actuele onderwerpen;
  • sluit aan bij het taalniveau van studenten;
  • gaat over een onderwerp dat goed afgeperkt is;
  • probeert studenten te overtuigen, hun mening te veranderen of spoort hen tot actie aan;
  • adresseert een probleem waarvoor geen eenvoudige oplossing bestaat of stelt een vraag waar geen absoluut antwoord op te geven valt;
  • presenteert een mening waar studenten het radicaal mee oneens kunnen zijn.

3. Bedenk maatregelen om actieve participatie in de discussie te stimuleren

Overweeg of beloningen of sancties nodig zijn. Beloningen of sancties worden bepaald aan de hand van het al dan niet voldoen aan de eerder opgestelde kwalitatieve of kwantitatieve criteria. Houdt er rekening mee dat dit je bij veel bijdragen aan de discussie veel tijd zal kosten. Weeg zorgvuldig af of die inspanning wel opweegt tegen het effect daarvan.

Voorbeelden van beloningen bij actieve participatie:– vrijstelling voor bepaald onderdeel;- bonuspunt op tentamen/eindcijfer;- (deel)cijfer.
Voorbeelden van sancties bij non-participatie:– extra opdracht(bijvoorbeeld de discussie samenvatten);- een laag (deel)cijfer.

4. Beslis hoeveel bijdragen iedere student aan de discussie moet leveren

Het is zinvol studenten te verplichten niet alleen op de stelling te reageren, maar ook op elkaar. Op die manier voorkom je dat de discussie in de eerste week doodbloedt en dwing je de studenten ook dieper na te denken over de meningen en argumenten van medestudenten, waardoor ze op een hoger begripsniveau komen. De docent kan de studenten zelf laten kiezen op wie ze reageren, maar kunnen het reageren ook geheel organiseren (bijv. student 1 reageert op student 2 of voorstanders van de stelling reageren op tegenstanders en andersom, enz.).

5. Bepaal de deadlines waarop de bijdragen op het discussieplatform geplaatst moeten zijn

Omdat studenten enkel kunnen reageren op bijdragen van hun medestudenten wanneer deze bijdragen ook daadwerkelijk op het discussieplatform staan, is het noodzakelijk strakke deadlines te stellen waarop deze bijdragen ingeleverd moeten zijn. Het stellen van deadlines is tevens een methode die ervoor zorgt dat studenten betrokken blijven bij het vak en dat de discussie actief blijft gedurende een door de docent gewenste periode. Een voorbeeld van deadlines, waarbij uitgegaan wordt van periodes van één week, is als volgt:

  • De docent plaatst aan het begin van de week een stelling op het discussieplatform
  • Iedere student reageert binnen vijf dagen hierop
  • Vervolgens reageert iedere student binnen vijf dagen op de bijdragen van twee andere studenten
  • Tenslotte reageert iedere student binnen drie dagen op de twee reacties die ze heeft ontvangen op haar eerste bijdrage.

6. Beslis over de mate waarin en de manier waarop je als docent intervenieert in de discussie

Het is raadzaam voor de start van de discussie na te denken of je als docent zelf ook bijdragen levert aan de discussie (inhoudelijke interventie), en/ of je organisatorisch ingrijpt (procesmatige interventie) en hoe vaak je dat zult doen (dagelijks, wekelijks, maandelijks…). Het is noodzakelijk dat studenten hierover ook geïnformeerd worden. Wanneer je als docent namelijk zelf niet participeert in de discussie zonder dat de studenten dit vanaf de start van de discussie weten, kunnen de studenten gaan denken dat de discussie niet belangrijk is, waardoor de motivatie van de studenten om actief te participeren in de discussie kan afnemen.

7. Formuleer criteria voor beloningen/sancties


Voorbeelden van kwalitatieve beoordelingscriteria:

  • de focus van de bijdrage moet liggen op de initi?le stelling;
  • de bijdrage moet duidelijk en ondubbelzinnig zijn;
  • de bijdrage moet met minimaal 2 argumenten onderbouwd zijn;
  • de bijdrage daagt uit tot reageren;
  • uit de bijdrage moet duidelijk blijken dat relevante literatuur gelezen is, bijvoorbeeld doordat studenten in hun argumentatie refereren aan artikelen.

Voorbeelden van kwantitatieve beoordelingscriteria:

  • de groep moet minimaal 3 bijdragen per collegeweek leveren;
  • de groep moet elke week op de bijdragen van 2 andere groepen reageren;
  • de student moet tijdens het trimester minimaal 10 bijdragen aan de discussie hebben geleverd.
8. Beslis de manier waarop wordt bepaald wie voor een beloning/sanctie in aanmerking komen

Wanneer wordt beoordeeld a.d.h.v. kwalitatieve beoordelingscriteria:

  • Screen de bijdragen aan de discussie op de mate waarin aan de beoordelingscriteria is voldaan.
  • Geef iedere bijdrage die (in grote lijnen) aan de criteria voldoet een plus en ieder bijdrage die niet of nauwelijks aan de criteria voldoet een min.
  • Tel de plusjes die de verschillende bijdragen per student hebben opgeleverd bij elkaar op.
  • Bepaal bij hoeveel punten studenten recht hebben op een beloning.
  • Studenten met minder punten hebben kwalitatief lage bijdragen aan de discussie geleverd en hebben geen recht op de beloning/ krijgen een sanctie opgelegd.
  • Tip: in plaats van iedere bijdrage afzonderlijk te beoordelen kan ook het totaal aan bijdragen worden gescreend en worden beoordeeld met een plus of min.

Wanneer wordt beoordeeld a.d.h.v. kwantitatieve beoordelingscriteria:

  • Tel de individuele bijdragen die studenten hebben geleverd bij elkaar op.
  • Beloon studenten die voldoende bijdragen aan de discussie hebben geleverd en leg studenten die dit niet hebben gedaan een sanctie op.

9. Formuleer de opdrachtomschrijving

Bij het formuleren van de opdrachtinschrijving kun je rekening houden met de volgende vragen:

Relevantie
  • wat is het doel van de discussieopdracht?
  • wat zijn de beloningen/sancties bij actieve participatie/non-participatie in de discussie?
  • participeer je als docent ook in de discussie en zo ja, op welke manier en hoe vaak?

Inhoud
  • aan welke inhoudelijke (kwalitatieve) criteria moeten de bijdragen voldoen?
  • wat is de maximale omvang van de bijdragen (tekst met een omvang
    groter dan
    een beeldscherm is te lang en onprettig om vanaf het beeldscherm te lezen)?
  • welke literatuur kan voor het geven van argumenten eventueel geraadpleegd worden?

Beoordeling
  • hoeveel bijdragen moet iedere student aan de discussie leveren?
  • hoe wordt besloten wie voor beloningen/sancties in aanmerking komt?

Instructies voor het inleveren
  • wanneer moeten de verschillende bijdragen worden ingeleverd (deadlines)?
  • in welk discussieforum zal de discussie plaatsvinden?
  • hoe kunnen de studenten een nieuw bericht aanmaken? Een discussieforum blijft overzichtelijk wanneer studenten een bericht aanmaken via de reply knop. De bijdrage komt op die manier precies onder het bericht te staan waarop gereageerd wordt (boomstructuur).
  • welke naam moet aan de bijdragen (onderwerp van het bericht) worden toegekend?. Een duidelijke en consistente naam (bijv. ‘Mee eens’, ‘Mee oneens’) zorgt er voor dat het helder is waar elk bericht over gaat.

Tips
  • Om ervan verzekerd te zijn dat verschillende invalshoeken en standpunten in de discussie naar voren komen, kun je de studenten verschillende rollen toekennen, bijvoorbeeld de rol van voorstander van de stelling; de rol van tegenstander van de stelling; de rol van criticus die voortdurend kritische vragen stelt of de rol van een bepaald stereotype (bijv. idealist, rationalist).
  • Bij discussies met meer dan 10 studenten is het verstandig de studenten in te delen in groepen van ca. 4 personen. Binnen elke groep vindt overleg plaats over in hoeverre de groep als geheel het eens dan wel oneens is met de stelling/ bijdrage van een medestudent en waarom. Deze mening wordt vervolgens als groepsbijdrage (niet per persoon) op het discussieplatform ingeleverd. Hierdoor reduceert het aantal bijdragen in het forum, waardoor het discussieplatform overzichtelijk blijft. Een andere mogelijkheid is studenten in groepen van 10 personen in te delen die elk in een eigen forum over dezelfde of over een verschillende stelling discussiëren.

Aandachtspunten bij de uitvoering

  • Open een forum op het discussieplatform en maak een bericht aan waarin je de stelling zet.
  • Zorg er middels bijv. een handleiding of een demonstratie voor dat studenten weten waar het discussieplatform te vinden is, hoe ze de bijdragen van medestudenten kunnen lezen en hoe ze zelf een bijdrage kunnen plaatsen.
  • Plaats de opdrachtomschrijving op een logische plek in de digitale leeromgeving en laat studenten via bijvoorbeeld een announcement of een e-mail weten waar ze de opdracht kunnen vinden en wanneer de (eerste) deadline is.
  • Zorg voor inhoudelijke feedback op de bijdragen door bijv. in de colleges terug te komen op de discussie.
  • Modereer de discussie.
  • Sluit het discussieforum wanneer de laatste deadline is verstreken.

Randvoorwaarden

Er moet een elektronisch discussieplatform voorhanden zijn.

Achtergrondinformatie

– Draaijer, S. (2001). Activerend gebruik van discussielijsten in hoger onderwijs: Leestekst voor cursussen ICT in onderwijs van het ICT Onderwijscentrum van de Vrije Universiteit. Amsterdam: Vrije Universiteit.
– The University of North Carolina at Chapel Hill Center for Instructional Technology. (2001). Guidelines for discussion forum assignments. [Online]. URL: http://its.unc.edu/tl/tli/bb/disforum/guidelines.html.

Zie ook

Hoe modereer je online discussies?
Hoe kun je studenten een online discussie laten modereren?
Hoe kun je studenten voorafgaand aan een college laten reageren op stellingen?
Hoe organiseer je peer review via een discussieforum?
Hoe organiseer je online discussies met veel studenten?

Geplaatst op 10-10-2002 door adminComments Off on Online discussies met weinig studenten

 
Auteur(s): Sylvia Walsarie Wolff Organisatie(s): TU Delft sectie EduTec

Bij het ontwikkelen van digitaal onderwijs wordt vaak geen rekening gehouden met het feit dat studenten de docent, zeker in het begin, zullen overstelpen met e-mails met vragen en opmerkingen. Hoe voorkom je dit?

Voorbeeld uit de praktijk

On-line forums, waarin studenten elkaar kunnen helpen, zijn een mogelijkheid om de docent te ontlasten. Een mogelijkheid is, om de rol van ‘superstudent’ in het leven te roepen, zoals bijvoorbeeld in het STUDIO project van de TU Delft (http://www.studio.tbm.tudelft.nl/studio/, inloggen als ‘dida1’, wachtwoord ‘dida1’ resp. ‘dida2’ en wachtwoord ‘dida2’).

In dit project is een digitale leeromgeving ontwikkeld, waarin een superstudent (vaak een student-assistent) de leiding heeft over een groepje studenten; hij/zij modereert de on-line werkzaamheden van het groepje en is de enige die communiceert met de docent.
Afbeelding rechts: voorbeeld van een groep van 2 studenten. “Dida1” is superstudent, “dida2” is gewone student. Dit is een screen dump uit het beheersysteem van de rol ‘user manager’.

Afbeelding hieronder: gebruiker “dida1” is superstudent. Dit houdt in dat deze gebruiker de rechten in het systeem heeft gekregen om groepsfases in te sturen.

Afbeelding hieronder: gebruiker “dida2” krijgt dit scherm te zien. Deze gebruiker kan de fase dus niet insturen.


Doel

De docent wordt zich tijdens het voorbereiden van on-line onderwijs bewust van maatregelen die genomen kunnen worden om te voorkomen dat hij/zij wordt overstelpt met e-mails van studenten als de on-line cursus is begonnen.

Wanneer te gebruiken

Te gebruiken door docenten, die on-line onderwijs aan het ontwikkelen en/of voorbereiden zijn en na willen denken over het voorkomen van teveel e-mails die van de studenten komen.

Aandachtspunten bij de uitvoering

  • Bij digitaal onderwijs zullen docent en studenten elkaar minder zien dan bij ‘gewoon’ (of face to face) onderwijs en zal er veel digitaal gecommuniceerd worden. Digitale communicatie moet goed worden voorbereid en dat vergt meer tijd
  • In de voorbereidingsfase is het van belang problemen te onderkennen die te maken hebben met het niet kunnen zien van elkaar. Dit kan door opdrachten heel duidelijk te formuleren en deze van tevoren te testen met een kleine groep studenten
  • Duidelijke inhoudelijke procedures, die geen misverstand laten bestaan over wegen die bewandeld moeten worden, zijn ook erg belangrijk. Probeer ook deze procedures van tevoren te testen en zorg ervoor dat de communicatie over deze procedures naar de studenten toe (overdreven) duidelijk is.
  • Het van tevoren structureren van de communicatie is ook een mogelijkheid: zorg dat de docent de laatste is, waarmee contact wordt opgenomen. Dit sluit ook aan bij socio-constructivistische opvattingen over leren. De studenten leren, door problemen zelf op te lossen, verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen leerproces en kunnen soms (voor een deel) de rol overnemen van de docent
  • Faciliteer dit door on-line forums in het leven te roepen, waarin studenten elkaar kunnen helpen.
  • Laat studenten in groepen samenwerken en laat ze verschillende rollen, waarvan er één docent is, vervullen. Deze rollen kunnen per week of andere tijdseenheid rouleren, zodat iedere student iedere rol een keer vervult.

Randvoorwaarden

  • De DLO die gebruikt wordt, moet goed bekend zijn bij alle gebruikers. De meeste instellingen bieden trainingen aan om vaardig te worden in de DLO die op de instelling wordt gebruikt.
  • Deel de studenten in in groepen van maximaal 15; een grotere groep is moeilijk te modereren. Om de docent te helpen groepen te begeleiden, kunnen assistenten worden ingehuurd.

Achtergrondinformatie

Vaardig digitaal kunnen communiceren zonder dat het teveel tijd kost is een nieuwe competentie voor docenten, die hun onderwijs deels digitaal (willen) gaan aanbieden; dit wordt ook wel E-docent genoemd.

Een E-docent:

  • begeleidt leerprocessen van studenten (voor een deel) op afstand
  • communiceert met de student o.a. via elektronische middelen
  • heeft een bepaalde visie op onderwijs

Veel docenten die E-docent (moeten) worden, maken bewust of onbewust gebruik van het transmissiemodel, waarin wordt verondersteld, dat kennis wordt overgedragen door studenten bloot te stellen aan die kennis. Dergelijke docenten komen niet verder dan het on-line zetten van hun syllabi en/of Powerpoint presentaties. Steeds meer docenten raken ervan overtuigd, dat dlo’s zich heel goed lenen voor een constructivistische vormgeving van het onderwijs, waarin studenten in een gevarieerde en authentieke context in samenwerking met andere studenten en docenten betekenis geven aan informatie. Communicatie is hierbij van wezenlijk belang.
Dit IDEE helpt de E-docent haar/zijn on-line onderwijs goed voor te bereiden, onder meer om te voorkomen dat hij of zij geconfronteerd wordt met problemen rond de communicatie met de studenten.

Ontleend aan

Hans Reitzema: e-Troubleshooting; artikel in e-Learning Magazine, 2e jaargang, nr. 1

Geplaatst op 20-08-2002 door adminComments Off on E-mail bombardement voorkomen

 
Auteur(s): Alma Kerling Organisatie(s): Risbo, Erasmus Universiteit Rotterdam

Dit IDEE biedt een hulpmiddel (een checklist) voor docenten bij de voorbereiding en uitvoering van een (hoor)college of werkgroepbijeenkomst, waarbij een PowerPointpresentatie wordt gebruikt.

Voorbeeld uit de praktijk

Veel docenten maken tijdens het geven van een college gebruik van PowerPointsheets die hun verhaal ondersteunen.

Doel

Er wordt uiteengezet hoe een college goed opgebouwd en ondersteund kan worden met behulp van PowerPoint.

Wanneer te gebruiken

Bij elk college of werkgroepbijeenkomst waar een docent lesstof presenteert.

Aandachtspunten bij de voorbereiding


Voorbereiding: inhoud van de presentatie
  • Begin de voorbereiding van het college door de kernpunten van het college te formuleren. Aan de hand van deze punten gaat u de dia
    €™s samenstellen. Deze dia
    €™s ondersteunen het college alleen als zij de hoofdlijnen ervan weergeven.
  • Presenteer op de eerste dia het onderwerp van het college, de datum en eventueel de naam van de cursus en de docent.
  • Presenteer op de tweede dia het programma van het college.
  • Zorg voor een begin dat de aandacht trekt. Gebruik bijvoorbeeld een cartoon, vraag, stelling, raadsel of een relevant citaat of bericht uit de krant.
  • Presenteer op dia drie tot en met N de inhoud van het college. Geef elke dia niet meer dan één onderwerp
  • Presenteer op de laatste dia de conclusies/ samenvatting van het college.
  • Beslis of en wanneer u de dia
    €™s beschikbaar maakt via de digitale leeromgeving. Beschikbaarheid voorafgaand aan het college heeft als voordeel dat de studenten de dia
    €™s al kunnen voorbereiden/ printen en meenemen naar het college. Maar het heeft als nadeel dat de inhoud van het college en wellicht ook de grappen en voorbeelden worden
    €œweggegeven
    € De motivatie van de studenten om daadwerkelijk te komen kan hierdoor kleiner worden. Dit kunt u ondervangen door de hand-outs aan het begin van het college in geprinte versie beschikbaar te stellen of door bepaalde dia
    €™s achter de hand te houden, dus niet vooraf in de digitale leeromgeving te publiceren.

Tips
  • test of internetlinks die eventueel in de presentatie zijn opgenomen, werken.
  • houd de PowerPoint bestanden zo klein mogelijk, omdat studenten anders problemen kunnen hebben de presentatie te downloaden.
  • ga na of het college ook goed te volgen is zonder de diapresentatie. Zo niet: zorg voor een hand-out of voor een velletje met de belangrijkste informatie voor alle toehoorders.
  • test hoe lang de presentatie duurt door deze vooraf een keer te oefenen. Oefen in ieder geval wanneer je nog nooit een PowerPoint presentatie hebt gegeven.
  • op de volgende websites kunnen cartoons e.d. gevonden worden om de aandacht van studenten te trekken:
    http://cartoon.pagina.nl
    http://gallery.yahoo.com
    http://google.com (kijk onder afbeeldingen)
    http://www.nrc.nl

Voorbereiding: lay-out en kleurgebruik in de presentatie
  • Zorg ervoor dat er in de presentatie maximaal twee verschillende lettertypes gebruikt worden.
  • Zorg ervoor dat elke regel uit maximaal zes woorden bestaat.
  • Zorg ervoor dat elke dia maximaal acht regels bevat.
  • Beperk het aantal
    €œleuke
    € overgangen of animaties.
  • Kies de juiste kleurencombinaties, zodat de dia
    €™s leesbaar zijn. Verkeerde kleurencombinaties zijn bijvoorbeeld:
    zwarte letters, rode achtergrond
    witte letters, gele achtergrond
    paarse letters, blauwe achtergrond
    rode letters, paarse achtergrond
  • Gebruik maximaal drie kleuren per dia.
  • Denk bij het kiezen van kleurencombinaties ook aan kleurenblindheid. Iemand die kleurenblind is ziet veelal weinig of geen verschil tussen rood en groen.

Tip

Test de presentatie vooraf in de collegezaal. Zo kun je controleren of de contrastwerking van de kleurencombinaties via de beamer er net zo goed uitziet als bij projectie op de computer. Door de projectie gaat namelijk veel contrast verloren en er treden vaak kleurverschuivingen op.

Aandachtspunten bij de uitvoering

  • Maak een rustige duidelijke start.
  • Maak het doel van het college duidelijk aan de studenten (onderwerp, wat moeten de studenten ermee doen, welke leerstof, welke minimumprestatie etc.) .
  • Maak duidelijk op welke voorkennis het college aansluit, bijvoorbeeld dat wat besproken is op het vorige college (voor studenten is dit niet zo vanzelfsprekend als voor u).
  • Kijk naar de toehoorders en ga NOOIT met uw rug naar de zaal staan om te zien welke dia er geprojecteerd wordt! Gebruik het scherm van de laptop om de dia te zien.
  • Gebruik de dia
    €™s ter ondersteuning van je verhaal. Ga niet elke dia
    €˜voorlezen
    €™.
  • Geef, wanneer een dia een afbeelding als een grafiek bevat, studenten de tijd deze rustig te bekijken en geef daarna pas extra uitleg of illustraties.
  • Bepaal, wanneer studenten een vraag stellen, of het gewenst is dat de vraag meteen of pas na het college beantwoord wordt.
  • Druk op de W-toets wanneer je even een rustige achtergrond wilt. Het beeld wordt dan helemaal wit. Nogmaals de W-toets indrukken laat de presentatie weer verschijnen.
  • Klik op de rechtermuisknop wanneer je op een dia wilt tekenen. Beweeg de muis om te schrijven. De aantekeningen kunnen verwijderd worden met E-toets, maar verdwijnen automatisch na beeldwisseling.
  • Gebruik om één dia verder te gaan de pijltjestoets naar beneden of naar rechts.
  • Gebruik om één dia terug te gaan de pijltjestoets naar boven of naar links.
  • Gebruik om de presentatie te be?indigen de Escape toets of klik met de muis op het driehoekje dat links onder in de dia verschijnt (kies
    €˜beëindig voorstelling
    €™).
  • Klik wanneer u tijdens de presentatie een ander programma hebt laten zien (bijvoorbeeld het internet) het programma weg (kruisje rechts boven) of druk tegelijk op de knoppen alt en tab. De presentatie is dan weer op het scherm te zien.
  • Geef aan het einde van het college de relatie met een volgend (werk-)college aan en wat er de komende periode van de studenten wordt verwacht.
  • Vertel studenten waar zij de afdrukken van de PowerPoint presentatie kunnen vinden/downloaden.
  • Eindig met een leuke uitsmijter, omdat het slot vaak het best bij de toehoorders blijft hangen.

Tips

  • neem de presentatie mee op diskette en/of laptop en/of cd-rom.
  • zorg van tevoren voor een uitdraai van de dia
    €™s op papier en schrijf het paginanummer erbij. Zo kun je, wanneer je niet meer weet waar je zit in de presentatie, de juiste dia gemakkelijk opzoeken.
  • zorg voor het telefoonnummer van de helpdesk.
  • neem overheadsheets of afdrukken mee voor het geval dat de presentatie toch niet werkt.

Randvoorwaarden

In de collegezaal moet een computer (tenzij eigen laptop gebruikt wordt), beamer en eventueel internetaansluiting aanwezig zijn. De software die voor de presentatie gebruikt wordt, moet overeenkomen met de software in de collegezaal.

Achtergrondinformatie

Adressing Diverse Learning Styles Through the Use of Multimedia:
http://www.vpaa.uillinois.edu/tid/resources/montgomery.html
On line handleidingen voor basisvaardigheden PowerPoint:
http://www.microsoft.com/belux/nl/mspress/subjects/subjectap_p1.htm

Algemene didactiek over het geven van een hoorcollege

Kallenberg, A.J., Grijspaarde, L. van der, Braak, A. ter, Horzen, C.J. van. (2000) Leren (en) doceren in het Hoger Onderwijs. Utrecht: Uitgeverij Lemma B.V.

Geplaatst op 23-04-2002 door adminComments Off on Colleges ondersteunen met PowerPoint

 
Auteur(s): Gerard Baars Organisatie(s): Risbo, Erasmus Universiteit Rotterdam

Dit IDEE geeft een voorbeeld van hoe (groepen) studenten elkaar kunnen begeleiden en feedback aan elkaar kunnen geven bij het werken aan een (groeps)opdracht. De digitale leeromgeving wordt gebruikt voor de organisatie van het geven van feedback.

Voorbeeld uit de praktijk

Bij het Leeronderzoek dat studenten van de faculteit Bedrijfskunde van de Erasmus Universiteit Rotterdam in de derde jaar van de Bachelor-opleiding uitvoeren geven groepen studenten elkaar feedback via het discussieplatform van de DLO. De feedback wordt gegeven op de tussenproducten en het eindprodukt waaraan de groepen studenten werken. In de bijlage bij dit IDEE vindt u concrete schermafdrukken van het gebruik van het discussieplatform bij het organiseren van het geven van feedback.

Doel

U leert hoe u (groepen) studenten elkaar feedback kunt laten geven en hoe u de digitale leeromgeving daarbij kunt gebruiken. Het is de bedoeling dat studenten leren van elkaars feedback en het geven van feedback.

Wanneer te gebruiken

Bij cursussen waar studenten aan een (groeps-)opdracht werken en waarbij de studenten elkaar feedback geven en van andere studenten feedback ontvangen op de uitwerkingen. Door het geven van feedback aan andere (groepen) studenten doen de (groepen) studenten ideeën op voor de uitwerking van hun eigen opdracht. De (groepen) studenten krijgen door het ontvangen van de feedback tijdens het leerproces inzicht in de cognitieve beheersing van de stof: de uitwerking van de opdracht kan verbeterd worden aan de hand van commentaar van andere (groepen) studenten.
De feedback kan gegeven worden bij de deelproducten die de (groepen) studenten moeten opleveren en bij het eindproduct dat de (groepen) studenten moeten opleveren.

Aandachtspunten bij de voorbereiding

  1. Beschrijf op welke momenten de (groepen) studenten uitwerkingen van deelproducten moeten opleveren.
  2. Beschrijf wanneer de (groepen) studenten elkaar feedback moeten geven en op welke deelproducten ze feedback moeten geven.
  3. Formuleer bij de opdrachten duidelijk welke groepen elkaar feedback geven. Het volgende model is bruikbaar: Groep 1 geeft feedback aan groep 2, groep 2 geeft feedback aan groep 3, de laatste groep geeft feedback aan groep 1.
  4. Geef van tevoren duidelijk de deadlines voor het geven van feedback aan.
  5. Geef de criteria volgens welke de studenten elkaars producten becommentariëren van tevoren aan.
  6. Geef ook richtlijnen over hoe studenten de feedback moeten formuleren (zie onder achtergrondinformatie: feedbackregels)
  7. Maak voor elke groep een forum aan in het discussieplatform

Aandachtspunten bij de uitvoering

  1. Geef aan de groepjes studenten door dat ze hun eigen producten op het discussieforum moeten posten voor een gestelde deadline. Door het posten van de bijdragen op het open discussieforum kunnen de groepjes studenten elkaars bijdragen lezen.
  2. Laat de studenten de feedback op het product van de aan hen toegewezen groep voor een gestelde deadline posten in het discussieplatform van de betreffende groep. Als begeleider kunt u lezen wanneer de feedback gepost is.
  3. Bekijk de feedback die een aantal (groepen) studenten heeft gegeven en behandel dit tijdens een contactmoment (bijvoorbeeld een college).

Tips
  • Laat tijdens het eerste contactmoment (eerste college) zien wat u verwacht van de studenten (hoe ziet de feedback er concreet uit?)
  • Reflecteer op de vorm en inhoud van de feedback die de studenten elkaar geven. Studenten in de beginfase van de opleiding zullen moeten leren om goede feedback te geven.
  • Het geven van feedback aan elkaar kunt u ook als een leerdoel van de cursus formuleren. Dit betekent dat u het geven van feedback dan ook beoordeelt.
  • Overweeg of de feedback die de (groepen) studenten aan elkaar geven alleen zichtbaar moet zijn voor de betreffende groepen (gebruik dan de Group Pages in Blackboard) of dat de feedback voor iedereen zichtbaar moet zijn (gebruik dan het Discussion Board in Blackboard).

Achtergrondinformatie


Feedback geven

Feedback geven is in feite informatie verstrekken over hoe het gedrag van iemand wordt waargenomen, begrepen en ervaren. Het gevolg is dat dit gedrag versterkt wordt of verandert.
Voor het constructief geven van feedback kunnen de volgende regels worden opgesteld:

  • Wees eerlijk
    Zeg nooit dingen die je niet meent.
    Zeg ook geen dingen waarvan je hoopt dat ze een bepaald effect hebben, maar die eigenlijk niet waar zijn.
  • Wees concreet
    Zeg niet tegen een ander: ‘Jij bent dominant’ (dat is een karaktereigenschap en dus moeilijk te veranderen door die ander), maar ‘op de vorige groepsbijeenkomst gaf je mij geen ruimte om mijn mening te geven’. Dat kan de ander de eerstvolgende keer makkelijk veranderen.
  • Wees constructief
    Je kunt beter de ander een constructief voorstel doen dan alleen maar negatieve kritiek te geven Bijvoorbeeld: “Wil jij de volgende keer het verslag uittypen?” is beter dan “Jij loopt altijd de kantjes ervan af. Je hebt nog nooit iets uitgetypt”.
  • Spreek in ‘ik’ vorm
    Je kunt beter zeggen: ‘Ik vraag me af wat er in je omgaat, want ik hoor je niet zo vaak in de groep’ dan: ‘Jij doet nooit je mond open in de groep’
  • Zorg dat de feedback zinvol is voor een ander, door bijvoorbeeld ook alternatief gedrag te formuleren.

Evaluatie

Studenten leren veel door elkaar feedback te geven. Ze leren op basis van criteria (die betrekking hebben op vorm en inhoud) goede feeback te formuleren. Door feedback op de feedback te ontvangen leren de studenten steeds betere feedback te geven. Studenten doen door commentaar te leveren op het produkt van een andere groep ook ideeën op over het vormgeven van hun eigen produkt.
De docenten/ begeleiders vinden deze vorm van feedback goed passen bij onderwijsvormen waarbij studenten redelijk veel invloed hebben. Het discussieplatform faciliteert het organiseren van het geven van feedback.

Geplaatst op 23-04-2002 door adminComments Off on Peer feedback via een discussieforum

  « Previous Page